Burnout

Achtergrond


Er is de afgelopen decennia veel veranderd op de werkvloer. Machines en computers hebben veel zware arbeid overgenomen. Vanwege de groeiende vraag naar specialisatie en de 24x7 economie is werken repetitiever geworden. Er wordt meer efficiëntie van de werknemer verwacht. Meer dan vroeger moeten werknemers omgaan met dagelijkse stress op de werkvloer. Sinds de jaren ´70 wordt één psychopathologische term in het bijzonder in verband gebracht met werkstress: "burnout" of "burnout syndroom".


Lees ook de ervaring van Peter


Sinds de eerste beschrijving van het burnout syndroom in 1969 door Bradley heeft deze metafoor voor een toestand van psychologische uitputting veel aan populariteit gewonnen. Een recente studie in Nederland toonde aan dat vier procent van de totale werkende bevolking ernstige symptomen van burnout vertoont en professionele hulp nodig heeft (Houtman et al., 2000) Wat zijn precies de symptomen van burnout syndroom? Freudenberger beschreef het burnout syndroom onder vrijwilligers die werkten in zijn zogenaamde 'vrije kliniek' voor drugsverslaafden. Ze veranderden van idealistische vrijwilligers in gedesillusioneerde, onverschillige hulpverleners die zelf leden aan uitputting, hoofdpijnaanvallen, slapeloosheid, snel geïrriteerd raakten, symptomen van depressie vertoonden en sociale angsten hadden (Freudenberger, 1974). Sinds die tijd zijn er veel onderzoeken verricht, maar het plaatje van burnout syndromen is zo goed als hetzelfde gebleven. Er zijn meerdere definities in omloop, maar de meeste onderzoekers beschrijven burnout syndroom als een reactie op langdurige emotionele en sociale stressfactoren op het werk.


Het syndroom wordt gewoonlijk vastgesteld op basis van drie zaken: emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke prestatie (Schaufeli et al., 1993; Maslach et al., 2001). Aan de hand van deze drie breed geaccepteerde factoren is de Maslach Burnout Inventory (MBI) ontwikkeld. Een hoge score voor uitputting en depersonalisatie en een lage score voor persoonlijke prestatie is een aanwijzing voor burnout. De MBI wordt wereldwijd gebruikt als een diagnostisch instrument voor burnout (Maslach et al., 1996).


De Diagnose Stellen


Verrassend is dat er geen officiële diagnose is voor het burnout syndroom in de DSM-IV (American Psychiatric Association, 1994), de meest gebruikte psychiatrische diagnostiekhandleiding. In Nederland worden mensen die symptomen van burnout vertonen vaak geclassificeerd op basis van hun primaire symtpoom, vermoeidheid: ongedifferentiëerde somatoforme stoornis.


Tabel 1 DSM-IV Diagnostische criteria voor Ongedifferentiëerde Somatoforme Stoornis

1. Een of meerdere fysieke klachten (b.v. vermoeidheid, weinig eetlust, gastrointestinale of urinaire klachten).


2. Ofwel (1), ofwel (2):


(1) Na grondig onderzoek kunnen de symptomen niet verklaard worden met een medische aandoening of de directe effecten van een stof (b.v. drugs, medicijnen)


(2)als er een medische aandoening is waar de symptomen verband mee lijken te houden, zijn de fysieke klachten of de sociale of beroepsmatige belemmeringen veel groter dan verwacht zou worden op basis van de persoonlijke geschiedenis, lichamelijk onderzoek en laboratoriumtests.


3. De symptomen veroorzaken klinische stress of belemmering op sociaal, werk- of andere belangrijke gebieden van functioneren.


4. De duur van de stoornis is ten minste zes maanden.


5. De stoornis wordt niet beter verklaard door een andere mentale stoornis (zoals een andere somatoforme stoornis, sexueel disfunctioneren, stemmingsstoornis, angststoornis, slaapstoornis of psychotische stoornis).


6. Het symptoom wordt niet met opzet opgewekt of gespeeld (zoals in Factitious Disorder of Malingering).


Hoogduin et al. (2001) vinden dat de diagnose "neurasthenia" meer geschikt is, die niet voorkomt in de DSM-IV maar wel in de ICD-10 (World Health Organization, 1992), de meest gebruikte diagnostiekhandleiding na de DSM-IV. Deze diagnose is specifieker voor burnout, want ongedifferentiëerde somatoforme storing kan naast vermoeidheid ook andere lichamelijke klachten inhouden.


Tabel 2 ICD-10 Diagnostische criteria voor Neurasthenia

1. Aanhoudende en belastende symptomen van uitputting na lichte mentale of lichamelijke inspanning, waaronder een algemeen gevoel van malaise, gecombineerd met een gemengd gevoel van opwinding en depressie.


2. Samen met twee of meer van deze symptomen: spierkramp en -pijn, duizeligheid, spanningshoofdpijn, slaapstoornis, niet kunnen ontspannen en snel geïrriteerd zijn.


3. Samen met twee of meer van deze symptomen: toegenomen cynisme of depersonalisatie, een verminderd gevoel van efficiëntie en emotionele uitputting.


4. Niet in staat te herstellen door te rusten, te ontspannen of door vermaak.


5. Een verstoord en rusteloos gevoel, onverfrissende slaap, vaak met onaangename dromen.


6. Duur langer dan een jaar.


7. De klachten zijn werkgerelateerd.


8. De klachten zijn niet toe te schrijven aan organische mentale stoornissen, affectieve stoornissen, paniek- of gegeneraliseerde angststoornis.


Zoals we kunnen zien aan deze diagnostische criteria kan het burnout syndroom het beste beschreven worden als een uitputtingssyndroom met affectieve symptomen (algemeen gevoel van malaise, snel geïrriteerd, cynisme en depersonalisatie). Er zijn echter psychiatrische stoornissen die niet goed te onderscheiden zijn van burnout syndroom. Deze stoornissen zijn (atypische) depressie en chronisch vermoeidheidssyndroom (Hoogduin et al., 2001).


Onderzoek met burnout patienten


De aanwezigheid van burnout syndroom als een sociaal probleem in veel dienstverlenende beroepen was de stimulans voor het onderzoek dat nu in veel landen aan de gang is.


Oorzaken en risicofactoren


Oorspronkelijk stond burnout bekend als een probleem bij mensen die in de zorgsector werken. Hieronder vallen banen zoals leraar, politie agent, dokter, verpleegkundige, psycholoog, advocaat, winkelbediende, receptionist, enz. Men dacht dat de symptomen het gevolg waren van de interactie tussen de persoon die hulp verleent en de persoon die hulp ontvangt.(Maslach, 2001)


Latere studies toonden aan dat burnout niet alleen voorkwam in deze situaties, maar ook in andere stressvolle banen. Het bleek zelfs dat de symptomen van burnout niet verschilden tussen verschillende werkgebieden (Demerouti et al., 2001). De gevolgen van burnout, emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke prestatie, werken als een vicieuze cirkel. Bij een hoge werkbelasting nemen de burnout symptomen toe, vooral de emotionele uitputting (Bakker et al., 2003). Emotionele uitputting is het gevoel dat alle energie uit je is weggezogen.


Als mensen dit gevoel ervaren proberen ze hier mee om te gaan door te onthechten. Ze houden een emotionele afstand tussen hen en anderen. Deze losmaking kan voorkomen in de vorm van een onverschillige houding tegenover anderen, maar mensen met burnout ontwikkelen ook vaak vijandige interacties met anderen.


Een andere reactie die veel voorkomt is het verlagen van de werkbelasting. Burnout patiënten staan er bekend om werk te vermijden, taken die ze als stressvol ervaren niet te doen en taken die ze als minder stressvol ervaren meer te doen. Deze reacties veroorzaken een daling van de werkprestatie, zowel kwalitatief als kwantitatief. De persoon voelt gaat zich hierdoor schuldig voelen en ontwikkelt een zelf-kritische houding. Afgekoelde vriendschappen en relaties met anderen, samen met de zelf-kritische houding, veroorzaken meer emotionele uitputting, die op zijn beurt weer ongunstige reacties tot gevolg heeft (Maslach, 2001).


Het burnout syndroom is dus een vicieuze cirkel, die begint bij emotionele uitputting.


*Maar wanneer leidt een hoge werkbelasting precies tot burnout symptomen? Aan het antwoord op deze vraag zijn een aantal studies gewijd. Er bleken een aantal factoren mee te spelen, namelijk:


*Traumatische gebeurtenissen op de werkvloer (Van der Ploeg et al., 2003)


*Verwarring en onenigheid over de precieze taak of taken van de werknemer (Posig et al., 2003)


*Risico's en gebrek aan veiligheid op het werk (Leiter et al., 1997)


*Tegengewerkt worden door een superieur, of het gevoel hebben tegengewerkt te worden door een superieur (Westman et al., 1999)


Weinig sociale ondersteuning (Brown et al., 1998) Inadekwate werkomstandigheden (Lee et al., 1996)


Het risico op burnout kan dus verlaagd worden door deze factoren te minimaliseren. Ook zijn er gezonde coping strategieën om burnout symptomen te voorkomen. Mensen die vertrouwen hebben in hun vaardigheid met het omgaan met problemen en het tolereren van stress, hebben minder last van burnout. Bij een sterke overtuiging dat een stressvolle situatie zin heeft, hoort een laag burnout niveau (Pines, 2004).


Burnout en Neurofeedback


Neurofeedback heeft meerdere malen laten zien in verschillende onderzoeken dat er een positief effect is op klachten als burn-out, depressie, vermoeidheid, spanning, aandacht en concentratie problematiek. Er zijn verschillende onderzoeken geweest op neurofeedback en biofeedback gebied die hebben gekeken naar de effecten op gedrag. Resultaten waren dat een verlaagde bloeddruk werd gerapporteerd als gevolg van de training, cliënten waren minder vermoeid en beter in staat stressoren in hun omgeving te herkennen. Ook was er na een behandeling sprake van een verbeterde volgehouden aandacht (Norris, et al., 2001).


Neurofeedback training is makkelijk te combineren met andere vormen van therapie. Een integratie van therapieën zal hoogstwaarschijnlijk juist het effect van de training verhogen helemaal in het geval van klachten waarbij gedrag de eerste oorzaak is geweest van de klachten. Aangezien er vaker sprake is van een terugval in gedrag waardoor oude gewoontes die in eerste instantie hebben geleid tot een overbelast systeem weer de kop op steken is er naast een concrete neurofeedback training van het brein ook een verandering nodig op gedragsniveau om te voorkomen dat mensen terugvallen in hun oude gewoontes. Een samenwerking van deze twee behandelwijzen pakt zo de eerste oorzaak van het probleem aan, namelijk het consequent overbelasten als gevolg van gedragsfactoren, en pakt tegelijkertijd de oorzaak aan van de klachten, namelijk het veranderde functioneren van het brein.